zondag 8 februari 2015

De Parelvreters, 4de plaats Paul Harland Prijs

Mijn kortverhaal 'De Parelvreters' haalde gisteren onverhoopt de 4de plaats in de Paul Harland Prijs 2014, de grootste wedstrijd voor fantastische kortverhalen in de Lage Landen. Er deden 202 verhalen mee, bijna evenveel als in de vorige editie. Toen stuurde ik met 'Vuur' mijn allereerste kortverhaal in, dat eindigde op plaats 19.

De Parelvreters diende ik in onder het pseudoniem Haruki Tazaki, maar publiceer ik hier onder mijn eerste pseudoniem T.S. Groenewoud.

Kort samengevat: in het donkere Afrika van de zeventiende eeuw ontdekt een oude man na een stortbui van parels dat de gevallen parels eetbaar zijn en hem jong maken. Wanneer de Hollandse kolonisten dat ontdekken, lopen ze het dorp onder de voet.

Jurylid Guido Eekhaut heeft perfect begrepen wat ik met dit verhaal wilde overbrengen: 'Een fabel over de waanzin van het kapitalisme en de hebzucht. (...) Een verhaal zoals een van de Latijns-Amerikaanse magisch realisten had kunnen schrijven. Kapitalisme, drugs, verslaving, passie.'

Eigenlijk is er maar één hoofdpersonage in dit verhaal: het dorp Mabongo, het lot van de personages is immers onlosmakelijk verbonden met dat van het dorp. En ja, Mabongo is een bewuste verwijzing naar het dorp Macondo in Honderd Jaar Eenzaamheid van Gabriel Garcia Marquez. Zijn magisch-realistische werelden waren een grote inspiratiebron voor de setting en sfeer van mijn kortverhaal.

Wie wil, kan hier het verhaal downloaden.
Alle commentaar is welkom!

Meer jurycommentaar volgt later, net als een verslag van het Gala van het Fantastische Boek, gisteren in 's-Hertogenbosch. Wat een leuke avond, wat een gezellige community. Er zijn heel wat spannende initiatieven aangekondigd. Er komen nog mooie jaren voor het genre aan.

De volledige uitslag van de PHP staat intussen online: hier. Proficiat aan alle winnaars!

Ps: ook mijn oudere kortverhalen zijn nog te downloaden (scrollen naar oudere berichten)!

woensdag 21 januari 2015

George Martin in the house!

Een laat nieuwjaarscadeau, eindelijk op de schouw. Met dank aan het Hebban-team en uitgeverij Luitingh-Sijthoff. Ik weet wat te lezen!


zaterdag 3 januari 2015

Tussendoortje: een titelloos fragment (bis)

Nog een fragment uit een niet nader genoemd, onafgewerkt en titelloos project (zie ook blog van 31 augustus). 2015 wordt een boeiend jaar.

Hoe wijder het monster zijn muil opensperde, hoe groter het zwarte gat werd waarin Dorian zichzelf zag vallen. Het was aardedonker. Zelfs het maanlicht drong hier niet meer door.
Het leek of zijn val eindeloos duurde.
Krampachtig probeerde hij met zijn handen houvast te vinden, maar hij voelde niets. Er was alleen lucht. En een geur van rottend vlees en mest. Hoe dieper hij viel, hoe indringender de geur werd, tot ze zijn adem afsneed en hem zelfs de neiging ontnam om te braken.
Dorian wist niet hoe diep hij viel, maar toen hij de bodem raakte, was de klap zo hevig dat hij vreesde al zijn ledematen gebroken te hebben.
Hij had geen tijd om het van de pijn uit te schreeuwen. Vrijwel meteen namen twee armen hem onder de oksels op en zweefden met hem door de ruimte. Het was nog steeds donker, waardoor hij de gezichten van zijn redders niet kon zien.
Aan het einde van de gang ontwaarde hij licht.
Eerst was het niet meer dan een vonkje vuur dat weer even snel dreigde te doven als het was ontstaan, maar hoe dichter hij naderde hoe feller het vuur aanwakkerde en hoe intenser het licht op zijn netvlies brandde.
Tot het pijn deed.
Het vuur veranderde in alle kleuren van de regenboog.
Toen Dorian het einde van de gang had bereikt, explodeerde het in een bundel van wit licht dat de hele ruimte en hem erbij leek op te slokken.
Het moment daarop zweefde hij in een lange zaal die die hij herkende als de troonzaal van het paleis. Tegen de zwarte muur voor hem stond de met goud belegde troon. Hij was leeg.
Op de troon lag een met gouden lelies bezette kroon.
Zijn ogen zochten naar zijn vader, haraç Borias, maar die was in de verste verte niet te bespeuren. De rest van Rondan was er wel.
Links van de troon zaten de oudste en meest eerbiedwaardige senatoren, terwijl rechts de hoogste magistraten van Rondan stonden.
Ze werden voorafgegaan door dienaars die een bundel houten roeden droegen die een bijl insloten en bijeengehouden werden door roodleren riemen. Het was het symbool van de macht van de magistraten om te wikken en beschikken.
Tussen Dorian en de troon lag een afstand van wel honderd meter of langer. Twee rijen van geknielde elverlingen hadden een gangpad gevormd.
Hun handen waren voor hun lichaam samengebonden en over hun gezicht liep een diep litteken dat nog vers was van het bloeden.
Hun blonde haren hingen sluik langs hun hoofd en hadden alle glans verloren.
Hun vleugels waren geschaafd.
Dorian kon zijn blik niet van de elveringen houden. Zo’n gelegenheid om hen van naderbij te observeren, had hij nog nooit gehad.
Achter elke elverling stond een gardist van de Eerste Garde.
Ze waren getooid in een kuras met stalen lamellen, de voorgeschreven uitrusting bij officiële gelegenheden. Het staal glom alsof het nieuw was. Op hun hoofd stond een helm, met neusbeen, dat langs de randen was belegd met goud en aan de kruin was versierd met blauwgele linten. Over hun schouders droegen ze een azuurblauwe mantel met het embleem van het koningshuis. Aan hun rechterheup hing hun zwaard. Aan hun gordel tot slot droegen ze een ivoren boemerang. Dorian herkende het ceremoniële wapen van de gardisten dat aan elke nieuwe haraç werd gegeven, als teken van hun trouw.
Dorian slikte. Hoewel hij dit nooit eerder had mogen aanschouwen, wist hij opeens maar al te goed in welke vertoning hij meespeelde.
Dit was een kroning. Mijn kroning!
Dat kon niet. Zijn vader was de haraç. Zijn oudere broer was de haç.
Hij wilde zich omdraaien en vluchten, maar de handen van zijn redders hielden hem stevig vast. Hij kon geen weg meer terug.
Toen zijn redders hem toefluisterden, klonk hun stem zoeter als honing waardoor hij alle weerspannigheid liet varen en zich door het gangpad liet meetronen.
O, wat had hij graag hun gezicht gezien. Maar telkens als hij zijn redders probeerde aan te kijken, wendden ze hun hoofd af.
Het was alsof alles wat daarna gebeurde, hem niet meer kon raken.
De mannen van de Eerste Garde hielden het hoofd van de elverlingen achterover, zodat hun hals bloot kwam te liggen en ze niet anders konden dan de nieuwe haraç aan te kijken.
In hun blik las Dorian angst, een panische angst die alle trots had verdreven. Hij kon de angst bijna ruiken, de meest primitieve geur die zich langzaam door zijn neusgaten boorde en in zijn hoofd nestelde. Het was de geur van genot.
Terwijl hij langs zijn troepen zweefde, scandeerden de gardisten zijn naam.
‘DORIAN! DORIAN! DORIAN! Leve haraç Dorian!’
Het geschreeuw werd begeleid door het monotone ritme van de paukenslagers die de troonzaal op hun grondvesten deden daveren.
Trom. Trom. Trom.
De vloer danste, alsof de hel onder zijn voeten was losgebarsten. De muren speelden een spel van aantrekken en afstoten en plooiden als rietstengels in de wind. Het deerde Dorian allemaal niet. Ook toen de gardisten het zwaard uit hun schede haalden en de elverlingen een voor een de keel oversneden, voelde Dorian niets. Terwijl de levenloze lichamen van de elverlingen als dominostenen aan zijn voeten vielen, stuwde het geschreeuw van zijn manschappen hem vooruit, recht naar de troon. Hij had voor niets anders aandacht.
Hij nam de leliekroon en zette hem op. Het ding zat hem als gegoten.
Toen zijn redders hem op de troon hadden neergezet, kon hij eindelijk hun gezichten zien. Sara? Amber? Ze lachten hun tanden bloot en streelden hem alsof ze hem beiden probeerden te verleiden. Hun lippen bewogen en brachten enkele hypnotiserende klanken voort, maar hij kon ze niet verstaan. Met elke aanraking van hen keerde de pijn terug. Het was alsof hij zelf de touwen rond zijn polsen voelde. Zijn gezicht brandde en het leek of zijn keel ettelijke keren werd doorgesneden. Hij legde zijn handen op zijn oren om zijn eigen geschreeuw niet te horen. En toen op zijn ogen, om wat hij zag niet voor waar te hoeven aannemen.
Zijn handen voelden warm aan en kleefden.
Toen hij ze voor zijn gezicht in de lucht hield, zag hij het bloed dat langs zijn doorgesneden polsen over zijn armen stroomde.
Hij schreeuwde opnieuw en voelde zichzelf weer vallen.
In een groot zwart gat.

zaterdag 29 november 2014

Gala van het Fantastische Boek

Op 7 februari is het zover: dan wordt de winnaar van de Paul Harland Prijs, de grootste wedstrijd voor fantastische kortverhalen in de Lage Landen, bekend gemaakt op de jaarlijkse Paul Harland Dag (PHD). En deze keer ziet de organisatie, met Martijn Lindeboom op kop, het groot, want de PHD wordt omgetoverd tot het Gala van het Fantastische Boek. Decor is het Golden Tulip Hotel Central in 's-Hertogenbosch.

Het gala is een initiatief van de Stichting ter bevordering van het Fantastische Genre. Die stichting, tevens getrokken door Martijn Lindeboom, werd pas dit jaar boven het doopvont gehouden en heeft tot doel om de (Nederlandstalige) fantasy- en scifi-boeken te promoten. De portaalsite hebban.nl/fantasy is daarvan al een concreet resultaat.

Hebban is een schitterende site die met een rotvaart uit de startblokken is geschoten en waarop je alles - maar dan ook werkelijk alles - over de fantastische literatuur terugvindt, met extra aandacht voor bekende én onbekende Nederlandstalige auteurs. Zelfs auteurs die bij een kleine uitgeverij een eerste kortverhalenbundel uitbrengen, worden op de site gerecenseerd, door redacteuren achter Hebban, maar ook door lezers.

Het mankeerde beginnende fantasy-auteurs vaak aan kunde, creativiteit en lef om contacten met uitgeverijen en een lezerspubliek te leggen. Omgekeerd toonden lezers in de Lage Landen vaak weinig interesse voor auteurs van eigen bodem en waren uitgeverijen niet happig om veel in hen te investeren. Het water was diep. Slechts weinig auteurs vonden een doorwaadbare plaats.

Maar dankzij initiatieven zoals de Stichting en binnenkort het Gala van het Fantastische Boek maakt de wereld van de fantastische literatuur een enorme revolutie door. Op het gala zullen auteurs, lezers, fans, uitgevers, boekhandelaren en vakpers elkaar kunnen ontmoeten. Naar het schijnt zal er een en ander worden aangekondigd. Veel wil Martijn Lindeboom er nog niet over kwijt. Maar één ding is nu al duidelijk: nog nooit was de community, het engagement en het potentieel zo groot om de fantastische literatuur definitief uit de schaduw van de de bejubelde - maar weinig gelezen - literaire romans te halen. En stilaan krijgt ook de fantastische literatuur de erkenning waarop ook trillerauteurs zo lang hebben gewacht.

Zoals gezegd, is het potentieel van zo'n Gala van het Fantastische Boek groot. Als de culturele en mediawereld zo hoog oplopen met de Gouden Uil en de AKO Literatuurprijs voor het beste Nederlandstalige literaire boek, waarom zou er op termijn dan niet ook zo'n prijs voor het beste fantastische boek in het leven kunnen worden geroepen? Laat boekhandelketens en grote uitgeverijen deze prijs sponsoren. Laat gerespecteerde juryleden en een publieksjury de winnaar kiezen. De auteurs, uitgeverijen én het genre zullen er alleen wel bij varen. Dromen staat vrij, toch?

zondag 19 oktober 2014

Het spectaculaire heengaan van Rozie Müller

Deze blog had al drie weken online moeten staan, maar computerproblemen gooiden roet in het eten. Daarom kom ik met enige vertraging terug op de Fantasy Strijd Brugge, de tweejaarlijkse wedstrijd voor fantastische kortverhalen, georganiseerd door de dienst Cultuur van de stad Brugge. Eind september werden de laureaten bekend gemaakt.

In tegenstelling tot andere gereputeerde wedstrijden zoals de Paul Harland Prijs of Fantastels waar verhalen maximaal 10.000 woorden mogen tellen, mochten de deelnemende verhalen deze keer niet meer dan 1.500 woorden tellen. Dat zijn pakweg twee velletjes A4. Een volledig, afgerond verhaal in 1.500 woorden? Onmogelijk, zou je denken (en dat denk ik nog vaak). Maar Goethe wist het al: in de beperking toont zich de meester.

Maar liefst 259 verhalen dongen mee naar de hoofdprijs. Mijn verhaal 'Het spectaculaire heengaan van Rozie Müller' (vette titel, toch?) eindigde op plaats 92. De jury gaf mijn verhaal 7,25 punten op 10. Absoluut niet slecht, maar ook niet goed genoeg om boven het maaiveld uit te komen. De 44 beste verhalen scoorden meer dan 8 op 10. De winnaar, 'Het dorp op de rand van de afgrond' van de Nederlandse Isolde Sanders, behaalde 9,04. De kwaliteit van de verhalen lag hiermee best hoog.

En wat vond de jury van mijn verhaal? 'Grappig verhaal, mooie woordenschat', aldus de ene. 'Grappig, niet onaardig, goed geschreven', aldus een ander. En nog: 'Ironische kijk op I go with a bang.' Complimenten kreeg ik voor mijn goede openingszin (al heel wat als je verhaal maar 2 pagina's telt), maar ook de raad om te veel uitleg te vermijden en de zinsbouw eenvoudig te houden. Een jurylid verwachtte met deze titel toch iets meer spektakel. 'Dit wordt meer een soort Southpark, maar dan alleen de onderbroekenlol.' En tot slot: 'Eerder overdreven verhaal dan fantasy.'

Die laatste opmerking houdt zeker steek. Terwijl ik in Vuur (Paul Harland Prijs) en De Bezoeker magisch realisme en old school fantasy combineerde met een vleugje horror, wilde ik met dit 'superkortverhaal' een heel andere toer opgaan: het absurdisme of surrealisme. Tenslotte leef ik in het land van Magritte. De juryleden zagen de fun ervan in, maar misten blijkbaar toch iets om het verhaal meer punten te geven.

Oordeel zelf en download 'Het spectaculaire heengaan van Rozie Müller' hier. Het lezen kost maar vijf minuten van uw tijd.

En o ja, ook 'Vuur' (19de plaats) en 'De Bezoeker' (6de plaats) kan je nog steeds downloaden!

De beste 25 verhalen van de Fantasy Strijd Brugge werden gebundeld in het boekje Fantastisch Strijdtoneel IV, samengesteld door jurylid en bezieler Alex de Jong en uitgegeven door Books of Fantasy. Check zeker de website eens.

zondag 31 augustus 2014

Tussendoortje: een titelloos fragment

Het is weer voorbij die mooie zomer. Met 'De Elfde Plaag' van Wilbur Smith heb ik eindelijk nog eens een fantasyroman gelezen (bleek toch wel dat ik die al eens gelezen had, zeker!). Nu bezig in 'On The Road' van Jack Kerouac. Eind juni heb ik opnieuw een verhaal ingezonden voor de Paul Harland Prijs. Wachten tot volgend jaar op het verdict. Eind september ga ik waarschijnlijk naar de uitreiking van de Fantasystrijd Brugge. In the meantime, een fragment uit een niet nader genoemd, titelloos en onafgewerkt project. Als tussendoortje.

‘Speel die bal nou toch!’
Meyriam gesticuleerde breed met haar armen, maar Oppanuk weigerde de bal door te geven. De jongen danste uitdagend op de rand van de klif. De wind trok aan zijn tuniek en speelde met zijn blonde haren. Eén verkeerde stap naar links en hij zou meer dan honderd meter diep in de ruwe zee storten. Maar het gevaar leek de jongen niet te deren. Behendig sprong hij van de ene uitstekende steen op de andere rots, terwijl hij de bal voor zich uit liet stuiteren. Het speelgoed deed alles wat hij vroeg, alsof het met een onzichtbare draad aan zijn lichaam was vastgemaakt en het zich zo liet dirigeren.
‘Komaan, Oppanuk. Doe niet zo belachelijk.’
Ook Guinevere en Gerben kregen het op hun heupen.
Ze haatten het wanneer Oppanuk de gekste kunstjes uithaalde om Meyriam te imponeren en zo de vaart uit het spel haalde.
Zoals alle jongens in het dorp had Oppanuk een oogje op Meyriam. Voorlopig was het meisje, dat met haar dertien jaar iets ouder was dan haar vrienden, nog niet op zijn avances ingegaan, maar haar blik verried dat ze verliefd was.
Gerben voelde een steek van jaloezie door zijn hart, omdat hij wist dat hij haar nooit zou krijgen. Vreemd genoeg voelde ook Guinevere afgunst. Zij was niet zo mooi als haar vriendin en kreeg nooit de aandacht die ze verdiende.
Toen de twee de acrobatie van Oppanuk gadesloegen, dachten ze in hun binnenste allebei hetzelfde. Wat een aansteller.
Elke dag kwamen de vrienden op de kliffen boven de rivierdelta een potje stuitbal spelen – het oudste spel dat ze kenden.
De regels waren eenvoudig. De bal, gemaakt van een varkensblaas, moest met de voet van de ene deelnemer naar de andere rondgaan en mocht daarbij telkens twee keer botsen. Op een vlakke ondergrond werd dat spelletje algauw saai. Daarom hadden de vrienden hun terrein verlegd. Op de rotsachtige kliffen, honderd meter boven het zeeniveau, maakte de bal rare capriolen, wat het spel onvoorspelbaar maakte en wat van de spelers oefening maar vooral een enorme behendigheid vroeg om op elke onverhoedse beweging te anticiperen.
Eén keer had Gerben zijn enkel verstuikt, toen hij met zijn been ongelukkig tussen twee stenen gekneld was komen te zitten. Hij haatte Oppanuk nog altijd omdat hij hem toen had uitgelachen. Voor de rest was het een mirakel dat niemand van hen ooit zwaargewond was geraakt, temeer omdat ze het spel altijd baarvoet speelden.
Na twee seizoenen voelden ze door de eelt op hun zolen de pijn niet meer wanneer ze op een scherpe steen balanceerden. Ze waren een krak geworden in hun eigen spel. Oppanuk nog iets meer dan de anderen.
‘Ben je klaar,’ riep de jongen naar Gerben.
‘Al sinds gisteren. Laat maar komen!’
Hij wreef zijn haar uit zijn ogen, zocht stevige grond en zette zich schrap voor de pas, maar hij was niet voorbereid op het effect waarmee Oppanuk de bal speelde. Toen het leer op de steen een meter voor hem botste, schoot het compleet de andere kant uit waardoor Gerben in de lucht trapte. Verbaasd over de vreemde wending begon hij te wankelen en verloor het evenwicht. Hij schoof uit en viel recht op zijn staartbeentje.
‘Auw!’ De pijn schoot door heel zijn lichaam.
Meyriam schoot hem meteen te hulp.
De aanraking van haar zachte handen verdoofde de pijn een beetje. Eindelijk. Maar woede haalde snel bij Gerben de bovenhand toen hij Oppanuk weer hoorde schateren.
‘Jij. Dat heb je opzettelijk gedaan!’
‘Het spijt me. Het was echt niet de bedoeling,’ zei de jongen. Maar Gerben wist dat Oppanuk het niet meende. Hij krabbelde overeind, nam de bal en schoot het leer met een welgemikte trap tegen het lichaam van zijn speelvriend aan.
De jongen, die nog steeds op de rand van de klif balanceerde, was nu ook verrast en sloeg met zijn armen als molenwieken in de lucht om zijn evenwicht te bewaren.
Achter hem lag de afgrond gevaarlijk dichtbij.
Meyriam schreeuwde de ziel uit haar lijf. ‘Nee!’
Ze hoorde de schedel van Oppanuk al kraken als hij in de afgrond en op de rotsen in de branding zou vallen, de bal achterna, en hield haar handen angstvallig voor haar ogen. Maar net toen iedereen dacht dat de jongen over de rand naar beneden zou storten, blies een krachtige windstoot in zijn rug en gooide hem voorwaarts op de grond.
Alsof de onzichtbare hand van een god ermee was gemoeid.
Verdwaasd over wat er net was gebeurd, kroop Oppanuk recht en klopte het stof van zijn tuniek. Meyriam vloog hem meteen om de hals.
‘Ik dacht dat ik je kwijt was.’
‘Zou je dat erg vinden?’ vroeg Oppanuk plagerig.
Meyriam liet hem los.
‘Dit is niet grappig, Oppanuk. En die natrap was een slecht idee.’
Ze wierp over haar schouder ook Gerben een boze blik toe. De jongen voelde zijn maag in elkaar krimpen. Als hij zoeven weer wat hoop had gekregen om bij Meyriam kans te maken, dan kon hij die hoop nu wel weer opbergen.
Ik geef het op. Hij wint.
‘Wat kunnen jullie toch kinderachtig zijn,’ ging Meyriam voort. Ze gooide haar handen in de lucht. ‘Stop nou toch met die plagerijen over en weer. Als jullie denken daarmee mijn hart te winnen, kunnen jullie nog lang proberen. Allebei.’
Oppanuk lachte slechts. Hij beschouwde de opmerking als een uitdaging. Meyriam, die zijn steelse blik kende, zuchtte.
‘Domoren, door jullie schuld zijn we de bal kwijt!’
‘Misschien niet,’ zei Guinevere.
Zoals gewoonlijk had iedereen haar weer genegeerd.
Ze lag languit op haar buik en tuurde in de afgrond.
De anderen kwamen naast haar liggen en keken wat ze bedoelde. Tot hun verbazing was de bal niet verzwolgen door de zee, maar was het leer enkele meters lager terecht gekomen op een richel, waar vogels hun nesten maakten of uitrustten van een lange vlucht.
Een wirwar van takken en wortels hield de bal op zijn plaats.
Oppanuk schatte de mogelijkheden in. De richel was nauwelijks een halve meter breed. Bovendien gierde de wind op deze hoogte zo hard dat een mens zich er moeilijk staande zou kunnen houden. Toch besloot hij zijn kans te wagen. Er waren genoeg kieren en spleten in de rotsen waardoor hij grip kon krijgen en zich langzaam naar beneden kon laten zakken.
Het was alsof Meyriam zijn gedachten had gelezen.
‘Wat ben jij van plan?’ vroeg ze.
‘De bal gaan halen, natuurlijk. Voor jou.’
Hij had verwacht dat ze zou protesteren, niet dat ze zou voorstellen om in zijn plaats te gaan. Oppanuk wist niet hoe te reageren.
‘Wat is er,’ zei Meyriam plagend. ‘Denk je dat een meisje dat niet aankan?’
‘Natuurlijk wel, maar gewoon… het is smal daar beneden.’
‘Ik ben leniger dan je denkt.’
Net toen Meyriam naar beneden wilde klauteren, hoorden de vier vrienden achter zich hoefgetrappel. Het was niet het geluid van één jackel, maar van een hele kudde. De grond daverde zo hard dat het leek alsof de rotsachtige grond in tweeën zou splijten. Nieuwsgierig, maar ook een beetje angstig, keken de vrienden om. Aanvankelijk zagen ze niets, maar even later verschenen in de bocht van de weg zeker honderd ruiters in draf. Ze droegen allen een lange lans, waren gekleed in een leren wapenrusting en hadden op hun hoofd een spangenhelm met neusbeschermer die was versierd met een zwartrode helmbos.
Toen de voorste ruiter, die kennelijk de leider was, de kinderen aan de rand van de klif opmerkte, stak hij zijn rechterhand in de lucht. Het gevolg vertraagde en kwam naar hen toe. Op vijf meter afstand hield de voorman abrupt halt.
Zijn jackel brieste en wapperde met zijn langharige vacht.
‘Wie zijn jullie en wat doen jullie hier?’ vroeg hij bevelend.
Oppanuk deed zijn best om zijn stem niet te laten beven. ‘Dit zijn Meyriam, Guinevere en Gerben. En ik ben Oppanuk. We waren aan het spelen. Maar we zijn onze bal kwijt.’
De ruiter nam zijn helm af. Er verscheen een scherp en jong gezicht. Meyriam schatte hem amper dertig jaar, wat jong was voor een leider van zo’n leger. Zijn lange zwarte haren vielen verleidelijk op zijn schouders.
‘Een gevaarlijk spel op deze kliffen,’ zei hij. ‘Ik ben Faradin, commandant van de Rode Lansiers. Weten jullie wie wij zijn?’
‘Ja,’ zei Meyriam, die een stap naar voren zette. ‘Het eliteleger van de koning, haraç Berenger de Eerste. De beste soldaten ter wereld.’
‘Hoor je dat, mannen,’ zei Faradin schalks over zijn schouder. ‘Onze reputatie is ons al ver vooruit gesneld.’
De soldaten bulderden van het lachen, Faradin lachte zuinig mee.
‘Heel juist, mijn kind.’
‘Ik ben dertien, ik ben geen kind meer,’ protesteerde Meyriam moedig.
Faradin maakte gespeeld een bescheiden buiging. ‘Ho maar, aanvaard dan mijn verontschuldigingen, jonkvrouw. Maar als ik u was, zou ik dat niet van de kliffen schreeuwen. Straks beschouwen mijn mannen dat nog als een uitnodiging.’
De soldaten lachten opnieuw. Het stond Oppanuk niet aan.
Als iemand ook maar een hand naar haar zou durven uit te steken, dacht hij, zou hij haar met zijn blote handen verdedigen. Ook al was hij kansloos. Hij zette zich schrap en keek de commandant zo boud mogelijk aan.
‘Ga naar huis,’ zei Faradin. ‘Het is hier niet veilig.’
‘Ik kan haar beschermen als het nodig is,’ zei Oppanuk. Hij zei het op zo’n manier dat het als een waarschuwing klonk.
Faradin lachte. Wat een astrant joch!
‘Je hebt lef, jongen. Dat zal je later ver brengen. Tenminste, als je hoofd dan nog niet van je romp is gescheiden. Niemand is veilig voor de man die wij zoeken.’
‘Wie zoeken jullie dan?’ vroeg Meryiam.
‘Bahrain, de meestermagiër. Volgens de laatste informatie zou hij zich hier ergens ophouden. We hebben de opdracht hem te doden.’
De vrienden trokken grote ogen.
Ze waren te jong om te hebben gezien waartoe hij in staat was, maar waren opgegroeid met de verhalen over de machtigste magiër op aarde die hun ouders hen voor het slapengaan zo vaak hadden verteld. Enkele jaren geleden had Bahrain de stadsstaten ten oosten van de rivier behoed voor de toorn van andere magiërs door hen een voor een te doden. Daarbij had hij nooit geziene stormwinden ontketend, vuurhaarden aangestoken die tot aan de hemel reikten en een muur van water uit de oceaan laten verrijzen.
Hoewel de meestermagiër de elementen van de natuur had aangewend om de mensheid tegen zijn verdorven collega’s te beschermen en hoewel de rust daarna was weergekeerd, had geen enkele mens nog vertrouwen in het goede van magie.
Vele dorpelingen, onder wie de ouders van Oppanuk, Meyriam, Gerben en Guinevere, hadden het verwoeste land achter zich gelaten en waren de bergen en de rivier, die het continent in tweeën sneden, overgestoken om een nieuw leven te beginnen. Het was het begin van een langzame diaspora naar het westen. Ondertussen hadden de stadsstaten langs de oostelijke kusten zich verenigd onder het gezag van één koning.
Die had beslist om elke rest van magie uit te roeien.
Sindsdien werd Bahrain de meestermagiër als een paria opgejaagd.
‘Is hij echt zo gevaarlijk als wordt verteld?’ vroeg Meryiam.
‘Nog veel gevaarlijker dan dat, meisje,’ zei Faradin. ‘Als je hem ziet, is het al te laat om te vluchten. Het kwade dat in hem huist, verduistert de zon en vernietigt de hoop in de harten van alles wat leeft. Volg mijn raad, en ga naar huis.’
De commandant boog lichtjes het hoofd, alsof Meryiam een vrouw van adel was. Toen gaf hij zijn mannen het sein om weer te vertrekken.
Onder een donderend geraas van de jackels verdween het leger uit het zicht.
‘Misschien heeft hij gelijk. Het is beter dat we terugkeren en het dorp waarschuwen. Wie weet wat die magiër in zijn schild voert,’ zei Gerben.
‘Straks,’ zei Meryiam. Ze lachte. ‘Eerst onze bal.’
Nog voor Oppanuk haar kon tegenhouden, gooide ze haar ene been over de rand van de klif en zocht met haar voet steun in een kier. Zo daalde ze langzaam de bergwand af.
Oppanuk hield zijn adem in van de spanning. Als ze zou vallen, zou hij het zichzelf nooit vergeven. Maar tot zijn verbazing zag hij hoe Meyriam zonder problemen naar beneden klauterde, tot ze met haar voeten de richel raakte waar hun bal lag.
‘Ik heb hem,’ riep ze triomfantelijk naar boven.
De wind nam haar woorden mee in de lucht.
Ze gooide de bal omhoog, recht in de handen van een verbouwereerde Oppanuk.
‘Kom nu maar snel naar boven,’ zei hij.
Meyriam zocht al naar een plek in de rotsen om de punt van haar rechtervoet in vast te haken, toen ze plots werd afgeleid door een licht links van haar dat ze niet eerder had gezien. Het leek recht uit de bergwand te komen en scheen nu eens feller en dan weer zwakker, op het ritme van een kloppend hart.
‘Wacht even,’ riep ze. ‘Ik denk dat ik iets heb gezien.’
Ze schuifelde voorzichtig langs de klif, naar de plek waar het verschijnsel vandaan kwam. Hoe dichter ze naderde, hoe meer ze zich er toe aangetrokken voelde, tot het te laat was om op haar stappen terug te keren.
Het vreemde licht kwam uit een smalle spleet van de rotswand, net groot genoeg voor haar om binnen te gaan. Daarachter lag het begin van een grot.
Houd je handen voor je ogen en kom dichterbij.
De vreemde stem nestelde zich tussen haar oren.
‘Wie is daar?’ vroeg Meyriam, meer nieuwsgierig dan bang.
Ze wachtte niet op een antwoord, sloot haar ogen en stapte in de bergwand.
‘Verdorie,’ mompelde Oppanuk. Hij aarzelde geen moment en volgde het meisje dat hij op een dag tot zijn vrouw zou maken.
Toen hij op de richel stond, zag hij het licht ook.
Vrees niet. En wees ook welkom. Maar bescherm je ogen tegen het licht.
Droomde hij of sprak iemand hem aan? Hij schudde het waanidee van zich af, verzamelde al zijn moed en volgde Meryiam in de bergwand. Hij moest zijn ogen wel sluiten, anders zou het licht hem hebben verblind. Zo fel straalde het.
Stap voor stap kwam hij dichter bij de kern van het licht. Toen hij het niet meer hield van ongeduld, gluurde hij stiekem door een oog.
Dat had hij niet mogen doen.

PS: Hoe zou het zijn met de voorselecteurs van de Paul Harland Prijs? Helemaal gaar?

vrijdag 11 juli 2014

Meer dan draken en trollen

Voor de Letterenbijlage van De Standaard schreef ik een artikel over de staat van de fantasyliteratuur in de Lage Landen. Met dank aan Jacques Post, Thomas Olde Heuvelt en Martijn Lindeboom.

Geen genre wordt zo verguisd en doet het tegelijk zo goed als fantasy. Angelsaksische auteurs, zoals George Martin met Game of thrones, hebben de trend gezet. Maar stilaan staan ook interessante Nederlandstalige auteurs op.

Meer dan draken en trollen




Het zijn duizelingwekkende cijfers: sinds het eerste seizoen van het fantasyepos Game of thrones twee jaar geleden hier op de buis kwam, zijn van de boeken van George R.R. Martin in de Lage Landen bijna 400.000 exemplaren verkocht. 'Maar ook voor de televisieserie verkocht Martin al uitstekend', zegt Jacques Post van de toonaangevende fantasyuitgeverij Luitingh. 'Fantasyboeken halen zelden de bestsellerlijsten, maar hebben een lange verkoopsadem omdat ze meestal deel uitmaken van een reeks. Die zijn zeer in trek. Fantasylezers zijn veellezers, gemiddeld lezen ze 20 tot 25 boeken per jaar. En hun gemiddelde leeftijd is de voorbije jaren behoorlijk gezakt.'

In een krimpende boekenmarkt heeft fantasy dus een mooie toekomst. Al is dat succes in ons taalgebied vooralsnog bijna uitsluitend te danken aan vertaald werk van auteurs als Stephen King, Tad Williams (Heugenis, smart en het sterrenzwaard en Anderland), Raymond E. Feist (onder meer De oorlog van de grote scheuring), Robert Jordan (Het rad des tijds), Terry Goodkind (De wetten van de magie), Robin Hobb (onder meer De boeken van de nar) en Markus Heitz (De dwergen, De donkere tijd). Zij hebben wereldwijd miljoenen boeken verkocht, zonder daarvoor een televisiebewerking nodig te hebben gehad.

Heks

Tegen al dat internationaal geweld konden Nederlandstalige auteurs lange tijd niet op. Stilaan steken ze hun neus aan het venster. Een van hen is Thomas Olde Heuvelt (31). Met HEX, een verhaal over een dorp waar al driehonderdvijftig jaar een heks met dichtgenaaide ogen en mond rondwaart, leverde de Nederlander vorig jaar zijn vijfde en succesvolste fantasy- en griezelroman af.

Hoewel het amper werd gerecenseerd, vond zijn boek al meer dan 10.000 kopers, onder wie veel Vlamingen. Volgend jaar verschijnt HEX onder meer ook in Amerika en Canada. Warner Bros kocht zelfs de film- en tv-rechten en wil een pilootaflevering maken.

Olde Heuvelt is verrast door de hoge vlucht die zijn carrière neemt. Pas sinds vorig jaar heeft hij een literair agent in Amerika en Canada. Daar was hij opgevallen met enkele korte verhalen - dit jaar is hij al voor de tweede keer met zo'n verhaal genomineerd voor de Hugo Awards, zowat de Oscars voor sciencefiction- en fantasyauteurs.

Olde Heuvelts opmars blijft uitzonderlijk voor een Nederlandstalig auteur. De meeste collega's mogen al blij zijn dat hun boeken worden uitgegeven. Grote uitgevers, zoals Luitingh en De Boekerij, hebben dankzij de internationale namen in hun portefeuille genoeg bewegingsruimte om te investeren in auteurs van eigen bodem, maar de plaatsen in hun fondsen blijven peperduur.

'Het zou weinig opportuun zijn als we de gevestigde internationale namen ondergeschikt zouden maken aan Nederlandstalig werk', zegt Jacques Post. 'Nederlandstalige auteurs hebben ook behoorlijk veel redactionele begeleiding nodig. Daarom kunnen we maar een beperkt aantal titels uitgeven.'

Sociale media

'Waarom koop je een boek? Omdat je de auteur kent van eerder werk of omdat je vrienden je het boek hebben aangeraden. Pas in laatste instantie koop je een boek om een nieuwe auteur te ontdekken', zegt Olde Heuvelt. 'Dat maakt het niet makkelijk voor nieuwe Nederlandstalige fantasyauteurs om naam te maken. Bovendien zitten de meesten bij kleine uitgeverijen, zoals Zilverspoor, die hun boeken moeilijk in de boekhandel krijgen.'

'Als je als Nederlandstalige auteur wil doorbreken, moet je het vooral hebben van de buzz op sociale media. Een grote uitgeverij als Luitingh opent deuren. Dat is ontzettend belangrijk, heb ik gemerkt. Maar als ik niet een jaar lang voltijds promotie had gevoerd voor HEX, dan had ik nooit zoveel boeken verkocht.'

'We zitten in onze puberjaren. Toen ik in 2008 bij Luitingh onderdak vond, was ik de eerste Nederlandstalige auteur in het fantasyfonds. Nu zijn we met steeds meer, en de kwaliteit en de originaliteit van ons werk nemen toe. We maken iets nieuws, met een eigen culturele inslag. Zo speelt HEX zich af in Beek, een bestaand dorpje in Nederland, en put het verhaal uit onze eigen geschiedenis. Zoiets hebben ze in Amerika nog niet gelezen. Dat spreekt aan, denk ik.'

Schrijfwedstrijd

Volgens Post voelt de nieuwe generatie auteurs zich niet belast door de erfenis van het fantasygenre, dat traditioneel een van twee stramienen volgt: de coming of age (waarbij het hoofdpersonage zich ontpopt van kind tot volwassen held) of de queeste (zoals Lord of the Rings). 'Ik heb het gevoel dat deze thema's wat uitgeput zijn. Het is moeilijk om er nog een originele draai aan te geven', zegt Post. Al gaf hij met Drakenkoningin van de Vlaamse An Janssens onlangs toch weer een klassiek verhaal uit.

'Omdat het verhaal iets toevoegt. An Janssens kwam als beste uit de schrijfwedstrijd die we vorig jaar hebben georganiseerd. Maandelijks krijgen we wel een tiental manuscripten binnen, maar het voordeel van zo'n wedstrijd is dat je het talent naast elkaar kunt leggen. Nieuwe auteurs spelen steeds meer met de conventies van het genre, vinden subgenres uit en schrijven steeds meer cross-overs. Dat zie ik graag gebeuren.'

De definitie van fantasy is veranderd en verbreed, zegt ook Olde Heuvelt. 'Voor mij is een verhaal fantasy als er iets in gebeurt wat in de echte wereld onmogelijk is. Er hoeven geen draken of trollen in voor te komen. In dat opzicht is veel werk van Harry Mulisch ook fantasy. Als iedereen die definitie aanneemt, dan pas is het genre wat mij betreft volwassen.' Mettertijd ziet Post het label 'fantasy' zelfs helemaal verdwijnen. 'Je ziet nu al dat Angelsaksische uitgevers fantasyboeken niet meer in een apart fonds uitbrengen. Zij zetten de trend en ze hebben gelijk. Jongere lezers grijpen niet meer naar fantasyboeken vanwege het label, maar omdat ze de auteur goed vinden.'

Online platform

Maar fantasylezers grijpen nog te weinig naar werk van eigen bodem. Onbekend lijkt onbemind. 'Als we die kloof willen dichten, moeten we tonen wat er is', zegt Martijn Lindeboom, organisator van de Paul Harland Prijs, de grootste wedstrijd voor fantastische korte verhalen in ons taalgebied. 'Onze verhalenwedstrijd is in enkele jaren tijd uit zijn voegen gebarsten. Dit jaar nemen meer dan tweehonderd auteurs deel, dubbel zoveel als twee jaar geleden. Ook de kwaliteit neemt elk jaar toe. Uitgevers houden in de gaten welk talent eruit komt. De wedstrijd kan een springplank zijn voor beginnende auteurs. Verschillende oud-winnaars zijn ondertussen doorgebroken. Toch merken we dat zelfs de allerbeste verhalen amper gepubliceerd raken.'

Met een stichting voor Nederlandstalige fantasyliteratuur wil Lindeboom, samen met auteurs Olde Heuvelt en Adrian Stone, daar iets aan veranderen. 'Het wordt een online platform waarop we kwaliteitsvolle korte verhalen zullen publiceren. We pakken het professioneel aan. De lat ligt hoog, en de auteurs worden vergoed', zegt Lindeboom. 'Daarnaast zullen we op de site, die we vorige week hebben gelanceerd, alles bundelen over Nederlandstalige fantasy. Uiteraard hebben we ook aandacht voor de internationale trends - we willen geen naar binnen gekeerd clubje zijn. Maar de stichting wil in de eerste plaats de Nederlandstalige auteurs en lezers bij elkaar brengen.'

Laagopgeleide geeks

Ook aandacht van de mainstreammedia is er nog te weinig. 'Als je uit de hobbyhoek wil geraken en een groot publiek wil bereiken, moet je af en toe eens in de kranten staan. Maar recensenten halen vaak hun neus op voor fantasy', zegt Lindeboom.

Hoe dat komt? Vooroordelen. Jacques Post: 'Ondanks de successen van Harry Potter en Lord of the Rings hangt er nog altijd een vreemd sfeertje rond het genre. Alsof fantasy alleen wordt gelezen door laagopgeleide geeks met weinig literaire smaak. Maar mijn ervaring is dat het opleidingsniveau van fantasylezers heel divers is.'

'Het label fantasy duwt je in een verdomhoekje', zegt ook Olde Heuvelt. Het wordt niet voor vol aangezien. Het is geen Literatuur. 'Een fantasyboek zal wellicht nooit voor de Libris Literatuurprijs worden genomineerd. Dat hoeft ook niet', zegt Lindeboom. 'Maar het genre is veel breder, dieper en intelligenter dan velen aannemen. Een boeken- en tv-reeks als Game of thrones kan hopelijk het aanzien van het genre opvijzelen.'